De kamer

 

De kamer (Brian Moore 1980-1997)
 
In de plek tussen slapen en waken zag ik mezelf ineens in een kamer staan. Er was niks speciaals behalve 1 muur, waar allemaal planken stonden met dozen vol met kleine kaarten. Ze leken op kaarten uit de bibliotheek waarop titels op alfabetische volgorde worden gescheiden op auteur en onderwerp. Maar deze archiefkasten, die van de grond tot het plafond reikten en eindeloos leken, hadden hele verschillende opschriften.
 
Ik liep dichter naar de muur met kasten toe en op de eerste doos die mijn aandacht trok las ik: “Meisjes die ik leuk heb gevonden”. Ik opende de doos en begon door de kaarten te bladeren. Geschrokken sloot ik de doos weer toen ik me realiseerde dat ik de namen op elke kaart herkende. En zonder dat iemand het me vertelde wist ik ineens precies waar ik was.
 
Deze levenloze kamer met de smalle archiefdozen was een ruw ordeningssysteem van mijn leven. Hier waren alle acties van elk moment opgeschreven, groot en klein, met meer details dan ik me kon herinneren. Een gevoel van verbazing en nieuwsgierigheid, gepaard met afgrijnzen, kwam in me op toen ik onwillekeurig archieven begon te openen en de inhoud ervan bekeek. Sommigen brachten vreugde en aangename herinneringen; anderen zo’n diep gevoel van schaamte en spijt dat ik achterom wilde kijken om te zien of er ook iemand meekeek.
 
Een doos genaamd “Vrienden” stond naast een andere: “Vrienden die ik verraden heb”. De titels verschilden van werelds tot ronduit vreemd. “Boeken die ik gelezen heb”, “Leugens die ik heb vertelt”, “Troost die ik gegeven heb”, “Grappen waar ik om gelachen heb”. Sommige waren bijna hilarisch gezien hun nauwkeurigheid: “Dingen die ik tegen mijn broers heb geschreeuwd”. Om anderen kon ik niet lachen: “Dingen die ik in mijn woede heb gedaan”, “Situaties met gemopper op mijn ouders”. Ik bleef verbaasd over de dingen die ik zag.
 
Vaak waren er meer kaarten dan ik had verwacht. Soms minder dan ik hoopte. Ik was verbaasd over de vele laden en kaarten die het leven beschreven dat ik tot nu toe geleefd had. Zou het echt mogelijk kunnen zijn dat ik in mijn leventje al deze duizenden of zelfs miljoenen kaarten had geschreven?
 
Maar elke kaart bevestigde deze waarheid. Elke kaart was geschreven in mijn eigen handschrift en gesigneerd met mijn eigen handtekening. Toen ik een doos pakte waarop stond “liederen waarna ik heb geluisterd”, realiseerde ik me dat deze dozen groeien om de inhoud te kunnen bevatten.De kaarten waren dicht tegen elkaar gezet, en toch had ik na ongeveer 2 of 3 meter het einde van het archief nog niet gevonden. Ik sloot het en schaamde me, niet zozeer door de kwaliteit van de muziek, maar meer door de tijd die het archief vertegenwoordigde.
 
Toen kwam ik bij een doos genoemd “Gedachten van lust”. Ik voelde een rilling door mijn hele lichaam gaan. Ik trok het een klein stukje uit de kast omdat ik niet wilde weten hoe groot de doos was. Ik trok er een kaart uit. Ik huiverde toen ik alle details las die er op beschreven stonden. Ik voelde me ziek worden toen ik me bedacht dat zo’n moment opgeslagen en bewaard was. Een bijna dierlijke geestdrift kwam in me op en 1 gedachte domineerde mijn denken: Niemand mag ooit deze kaarten zien! Niemand mag ooit deze kamer zien! Ik moet ze vernietigen! In een gestoorde razernij rukte ik de doos er uit. De grootte deed er niets meer toe. Ik moest het leegmaken en de kaarten verbranden. Maar toen ik het bij het ene uiteinde pakte en er mee op de grond sloeg om de kaarten er uit te gooien kon ik er geen enkele kaart uitkrijgen. Ik werd wanhopig en pakt er 1 kaart uit, maar het enige wat er gebeurde is dat ik besefte dat de kaart zo sterk als staal was toen ik hem probeerde te verscheuren.
 
Verslagen en totaal hulpeloos zette ik het archief weer terug in de gleuf. Ik leunde met mijn voorhoofd tegen de muur en slaakte een diepe zucht van zelfmedelijden. En toe zag ik het. De titel was “mensen aan wie ik het evangelie heb vertelt”. Het handvat was lichter van kleur dan de andere dozen er omheen, nieuwer, bijna ongebruikt. Ik trok aan het handvat en er kwam een klein doosje uit, niet meer dan 8 centimeter lang. Ik kon de kaarten die er in zaten op 1 hand tellen.
 
En toen kwam en de tranen. Ik begon te huilen. De snikken kwamen zo diep uit mijn binnenste dat het pijn deed. Ze begonnen in mijn buik en schokten door mij heen. Ik viel op mijn knieën en huilde. Ik huilde vanwege de schaamte, vanwege de overweldigende schaamte van alles. De rijen met planken vol met dozen warrelden voor mijn betraande ogen. Nooit, nooit, mag iemand te weten komen van deze kamer. Ik moet de deur op slot doen en de sleutel verstoppen.
 
Maar toen ik de tranen wegveegde zag ik Hem,. Nee, alsjeblieft niet Hem. Niet hier. Oh, iedereen behalve Jezus. Ik keek hulpeloos toe terwijl Hij laden open begon te trekken en kaarten begon te lezen. Ik kon het niet verdragen om te wachten op Zijn reactie. En in bepaalde momenten kon ik mezelf er toe brengen om naar zijn gezicht te kijken, ik zag een verdriet dieper dan mijn eigen. Hij leek intuïtief naar de allerergste dozen te gaan. Waarom moest Hij ze allemaal lezen?
 
Uiteindelijk draaide Hij zich om en keek naar mij vanaf de andere kant van de kamer. Hij keek naar me met medelijden in Zijn ogen. Maar dit was niet het soort medelijden waar ik kwaad van werd. Ik liet mijn hoofd vallen, begroef in mijn handen en begon opnieuw te huilen. Hij liep naar me toe en sloeg Zijn arm om me heen. Hij had veel kunnen zeggen, maar Hij zei geen woord. Hij huilde met mij mee. Toen stond Hij op en liep terug naar de muur met kaarten. Hij begon aan het einde van de kamer, Hij nam er een doos uit en één voor één begon Hij Zijn naam over de mijne te schrijven, op elke kaart.
 
“Nee!” schreeuwde ik terwijl ik naar Hem toerende. Alles wat ik kon zeggen was “Nee, nee” en ik pakte de kaart van hem af. Zijn naam hoorde niet op deze kaarten te staan. Maar het was er wel, geschreven in rood, zo donker, zo levend. De naam van Jezus bedekte mijn naam. Het was geschreven met Zijn bloed.
 
Hij pakte de kaart liefdevol terug. Hij lachte verdrietig en ging door met het schijven van de kaarten. Ik denk dat ik nooit zal weten hoe Hij het zo snel kon doen, maar het volgende moment hoorde ik Hem de laatste doos sluiten en Hij liep terg naar mijn kant. Hij plaatste Zijn hand op mijn schouder en zei: “Het is volbracht”. Ik stond op en Hij leidde me uit de kamer. Er was geen slot op de deur. Er moesten nog steeds kaarten geschreven worden.

 

12mark | | | | Tel. 085-1042217 | Email 350t3r13+test@gmail.com
Powered by